Voor het eerst groeit er een generatie jongens op die de keuze heeft om niet primair de kostwinner te worden.

Laat die zin even tot u doordringen alstublieft.

Het klinkt misschien vanzelfsprekend voor wie nu leeft – en zelfs die kans is niet heel groot. Deze zin zegt een heleboel over de tijd en maatschappij waarin we leven. Over wat we van jongens verwachten. Over de verdeling van arbeid en zorg. Over de betekenis van arbeid. Over de verhouding tussen mannen en vrouwen. Deze zin geeft aan dat de wereld drastisch aan het veranderen is.

Nog een paar van zulke zinnen:

Voor het eerst groeit er een generatie jongens op die lager opgeleid zal zijn dan hun vaders.

Voor het eerst groeit er een generatie meisjes op die het in het onderwijs beter doet dan jongens.

Voor het eerst worden jonge vrouwen in diverse sectoren gemiddeld beter betaald dan hun mannelijke leeftijdsgenoten.

Het gebrek aan prestatie doet sommigen pijn. Dat jongens minder presteren dan meisjes doet pijn aan degenen die nog altijd uitgaan van het patriarchale uitgangspunt dat het andersom moet zijn. Van daaruit bezien is het onbestaanbaar dat meisjes beter presteren dan jongens.

Voor sommige vaders doet het ook pijn dat hun zoons niet hogerop kunnen of willen dan zijzelf. Het is altijd lastig voor vaders en meesters: aan de ene kant moet je per definitie het hoogst haalbare vertegenwoordigen, aan de andere kant moet je willen willen dat de leerling de meester overtreft. Maar helaas, vanwege ‘plafondeffecten’ is dat niet altijd mogelijk. Hoger opgeleid dan hoogst opgeleid is bijna niet mogelijk.

Let wel: het gaat hier in alle gevallen om gemiddelden. Er zijn veel jongens voor wie het kostwinnerschap nog altijd het meest belangrijke zingevingsperspectief is, er zijn veel jongens die wel degelijk hoger opgeleid zullen worden dan hun vaders, en er zijn ook nog altijd veel jongens die het in het onderwijs wel beter doen dan meisjes. Ook zijn er een heleboel jonge vrouwen die nooit in hun leven beter betaald krijgen dan hun mannelijke leeftijdsgenoten.

Een jaar of tien na afronding van hun opleiding doen veel jonge mannen het op de arbeidsmarkt overigens alweer beter dan hun vrouwelijke leeftijdsgenoten, een trend die versterkt doorzet vanaf het moment dat er kinderen komen.

Verandering brengt zowel winst als verlies met zich mee. Crisis is kans. De veranderende wereld veroorzaakt allerlei soorten crises. De veranderende verhoudingen tussen mannen en vrouwen heeft geleid tot groeiende bezorgdheid over de ‘crisis van mannelijkheid’ en ‘het einde van de man’. Als het gaat over het onderpresteren, afstromen en uitvallen van jongens in het onderwijs wordt in dit verband ook wel gesproken van ‘het jongensprobleem’. Ik kom daar zo op terug.

Sommige mannen zijn onzeker over hun rol in de veranderende wereld. Wat wordt er van hen verwacht nu ze niet meer automatisch kostwinner hoeven te worden? Nu hun traditionele rol als beschermer zo goed als afgeschaft is?  En hun rol als opvoeder zacht gezegd nog heel diffuus en onduidelijk is? Voor jongens is het perspectief op volwassenheid, en daarmee op de betekenis van hun toekomstig man-zijn, daardoor eveneens diffuus. Ze hoeven inderdaad niet meer per sé kostwinner te worden, maar succes, rijkdom, status, macht en aanzien zijn voor jongens misschien wel meer dan ooit de maatstaven waar ze zichzelf en elkaar aan afmeten. En er wordt nog altijd van hen verwacht dat ze opgroeien tot een ‘echt man’. Jongens komen zo in de knel met de lessen die ze leren over mannelijkheid. Les één zegt duidelijk: wees niet meisjesachtig, doe niet wat vrouwen doen, wees geen homo of mietje.

Nu meisjes hun kansen grijpen, en door hard te werken en hoge eisen aan zichzelf en elkaar te stellen via het onderwijs opklimmen in de samenleving – laten jongens het afweten. Zo lijkt het althans, volgens degenen die zich inzetten om jongens te redden, die vinden dat jongens nu het onderspit delven, die vinden dat de samenleving jongens op achterstand zet omdat ‘jongensgedrag’ niet meer als vanzelfsprekend getolereerd en gefaciliteerd wordt. Die het probleem neerleggen bij ‘de feminisering’ van de samenleving en het onderwijs.

Er is echter reden genoeg het probleem neer te leggen bij mannelijkheid – bij de opvattingen over mannelijkheid die we jongens en mannen meegeven, de lessen die we hen leren over wat een ‘echte man’ wel en vooral niet moet doen en zijn. De starre soort van mannelijkheid die nog maar nauwelijks heeft meegegeven met de revolutionaire veranderingen in de relaties tussen de seksen. De mannelijkheid die de uitdaging nog niet heeft opgepakt, die zich koest houdt onder het motto ‘je moet stil zitten als je geschoren wordt‘ en die zich regelmatig uit in klaagzangen of woedeuitbarstingen omdat ‘mannen geen echte man meer mogen zijn‘, die beweert dat ‘boys will be boys’. Maar overduidelijk is dat er enorme verschillen tussen jongens onderling zijn – gelukkig maar! – en dat jongens bovendien – hoezee! – heel veranderlijk zijn.

Een echte vent wordt geen student, zo concludeerde Brandpunt na een interessante reportage over het jongensprobleem een paar jaar geleden. Jongens hebben wel wat beters te doen met hun leven, vinden ze zelf. Bovendien, zo impliceert het statement: studeren is niet des jongens, want tegenwoordig iets dat meisjes doen. En wanneer meisjes het doen moeten jongens er verre van blijven, zo leren we van ‘de jongenscode’, de ‘guy code’, ‘de mannelijkheidscoderingen’ en de ‘man box’ zoals deze door respectievelijk Angela Crott, Michael Kimmel, Ton van Elst, Tony Porter en Jackson Katz wordt beschreven.

En daar zit de pijn, en tegelijk de prestatie. In de stereotype opvattingen over mannelijkheid is pijn fijn en bloed goed, moeten jongens en mannen hun zogenaamd vrouwelijke eigenschappen negeren, ontkennen en onderdrukken, en hun zogenaamd mannelijke eigenschappen flink overdrijven zodat er maar geen twijfel over kan bestaan dat ze wel echte mannen zijn. Presteren wordt gezien als mannelijk, je moet je mannetje staan, als je pijn heb jezelf vermannen, en natuurlijk vooral geen mietje zijn.

Mannen moeten presteren, maar waarvoor? Wat een bestaan, als je voortdurend naar de top moet streven, terwijl er maar zo weinigen de top kunnen bereiken, en niemand daar voor altijd kan verblijven. De pijn van de prestatie is dat jongens en mannen volgens dit schema feitelijk altijd losers zijn, dat ze het niet kunnen winnen, dat ze gevangen zitten in een mallemolen die hen voortdurend iets laat bewijzen dat ze het grootste deel van de tijd niet kunnen zijn. Mannelijkheid is een precaire staat die moeilijk te bereiken en nog moeilijker te behouden is. Zoals een penis het grootste deel van de tijd in slappe toestand verkeert en jongens en mannen toch steeds de belofte van de fallus waar moeten maken. ‘Het is makkelijker om een erectie te zijn dan om er één te hebben.’

Keerzijde

Ik vind het belangrijk om in dit essay de onomstotelijke keerzijde van het zogenaamde ‘jongensprobleem’ te laten zien – voor zover dat gaat over hoe het met jongens gaat in het onderwijs. Het lijkt me belangrijk verbanden te leggen met andere ontwikkelingen.

Zo is de veranderende rol van jongens en mannen is de andere kant van de medaille van vrouwenemancipatie. Het wordt tijd voor jongens en mannen om mee te bewegen. En dat gebeurt al veel meer dan het op het eerste gezicht soms lijkt, bijvoorbeeld in de organisaties en projecten die elkaar vinden in de wereldwijde MenEngage Alliantiewaarvan inmiddels ook een Nederlandse tak ontwikkeld is. In lokale, nationale en internationale campagnes zetten jongens en mannen zich in voor nieuwe manieren van man-zijn waarin geweld minder en zorg meer plaats inneemt. De wereld is aan het kantelen, en jongens en mannen kantelen mee. De roep om authentieke of oermannelijkheid en het verhaal dat ‘boys will be boys’ zijn achterhoedegevechten. De toekomst is aan jongens en mannen die door hun – zogenaamd – vrouwelijk kant te omarmen steeds meer mens kunnen worden.

Nog heel even terug naar die jongens en hun toekomstperspectief. De meeste jongens zijn daar niet zo mee bezig. Die leven in het hier en nu. Later is boeie, kostwinnerschap geen woord in hun vocabulaire; wel willen ze graag rijk en succesvol worden. En graag gewoon gelukkig zijn. En iemand vinden om van te houden en mee te leven. En kinderen krijgen. En vader worden. En dat alles zo goed mogelijk doen. Deze dingen worden na het hier en nu langzaam steeds duidelijker, als je ze hun gang laat gaan, of als je er de tijd voor neemt ze hierover te ondervragen en goed naar ze te luisteren.

Het probleem van jongens in het onderwijs is geen jongensprobleem. Althans, niet zoals het geschetst wordt. Het wordt vaak juist als een vrouwen- of zelfs vrouwelijkheidsprobleem neergezet. Dan gaat het over de feminisering van het onderwijs en de samenleving. Alsof jongens afhaken omdat ze vooral les krijgen van vrouwen, of omdat het onderwijssysteem ‘te vrouwelijk’ is, teveel en vooral vrouwelijke onderwijsvormen bevat die niet aansluiten bij wat jongens ‘eigen’ zou zijn. Omdat ‘boys will be boys’ en daar moeten we niet aan willen sleutelen…

Vergeet het maar. Er is niet zoveel ‘eigen’ aan jongens. Niet wat we te zien krijgen. Dat is nu juist het probleem. Jongens leren om hun eigenheid ondergeschikt te maken aan wat er van hen verwacht wordt. Een jongen leert om man te worden. Echte man. Daar mag geen twijfel over bestaan. Dat is les één van mannelijkheid. Je moet een echte man zijn, en om dat te verzekeren mag je zeker niet vrouwelijk zijn. Alles wat ‘eigen’ is maar ook maar de schijn van vrouwelijkheid heeft moet ontkend, genegeerd en onderdrukt. Alles wat ‘eigen’ is en ook maar enigszins lijkt op wat als mannelijkheid gezien wordt moet op de voorgrond geplaatst, uitvergroot en overdreven.

Zo raken jongens uit balans. Teveel overdreven mannelijkheid aan de ene kant, teveel onderdrukte vrouwelijkheid aan de andere kant. En laten we alsjeblieft meteen ophouden met het ‘mannelijk’ en ‘vrouwelijk’ noemen van wat gewoon menselijke eigenschappen zijn. Jongens en meisjes zijn allemaal in staat tot zorgzaamheid en daadkracht, tot emotionaliteit en rationaliteit, tot inparkeren en inlevingsvermogen, tot communicatie en competitie, tot verbinding en onafhankelijkheid.

Jongens uit balans leidt tot problemen. Onderdrukking van je eigen menselijkheid is een hele prestatie maar heeft destructieve gevolgen – en die doen pijn. Exposure van het idee van echte mannelijkheid ligt ten grondslag aan allerlei excessen waar de samenleving last van heeft. En mannen zelf. En vrouwen. En kinderen.  Noem eens wat. Geweld, in allerlei vormen, tegen vrouwen, tegen homo’s, tegen supporters van een andere club, tegen ideologische of religieuze tegenstanders, tegen uitgaanspubliek, tegen andere mannen in willekeurige welke situatie, geweld tegen jezelf in de vorm van destructief gedrag, misbruik van alcohol en drugs, onveilige seks, roekeloosheid in het verkeer, het mijden van zorg.

Slecht presteren op school – of het nu gaat om onderprestatie, doubleren, uitval of afstroom naar lagere onderwijsniveaus – valt hier ook onder. Voor sommige groepen jongens geldt wellicht dat ze hier niet veel aan kunnen doen – jongens die wegens spraak-, leer- of opvoedproblemen in bijzondere (onderwijs-)situaties belanden; zij hebben zeker hulp en begeleiding nodig, voor hen moet ook een plek in het onderwijs en de samenleving zijn. Maar duidelijk is ook dat veel jongens een slechtere studiehouding hebben, een attitudeprobleem – als onderdeel van hun onderlinge mannelijkheidscodering, als verzet tegen hun vaders tegen wie ze niet willen maar wel moeten opboksen, als reactie op de goede prestaties van meisjes, of om welke reden dan ook. Natuurlijk moeten ook deze jongens hulp en begeleiding krijgen. Niet de begeleiding die hen bevestigt in stupide ideeën over mannelijkheid. Wel begeleiding die hen helpt zich de vaardigheden eigen te maken waarmee ze verder kunnen komen in de wereld van de 21e eeuw – en dan niet alleen op de arbeidsmarkt, maar ook in relaties, vriendschappen, ouderschap, burgerschap.

Het is niet zo dat het slecht gaat met alle jongens op school, al zou je dat wel denken als je de paniekverhalen hoort en leest. De meeste jongens doen het prima, er is sinds de Tweede Wereldoorlog nog altijd een stijgende lijn in de instroom in het hoger onderwijs van zowel jongens als meisjes.

image002

Maar wat wil het geval? Meisjes doen het beter! Gemiddeld. O jee, hoe is dat nou mogelijk? Dan moet het wel slecht gaan met jongens, we leven immers in een samenleving waar jongens het beter doen dan meisjes, waar jongens het blijkbaar beter horen te doen dan meisjes, anders is er iets mis.

Meisjes plukken de vruchten van anderhalve eeuw vrouwenemancipatie. Vrouwen hebben toegang bevochten tot het kiesrecht, tot onderwijs, en tot de arbeidsmarkt. Bovendien hebben ze zeggenschap verworven over hun eigen lichaam en reproductie en kunnen ze dus zelf kiezen of en wanneer ze kinderen krijgen. Met die drastische maatschappelijke verandering op persoonlijk vlak zijn ze jongens en mannen zo’n twee generaties voorgegaan. Van die ontwikkeling plukken jongens en mannen nu de vruchten – zoet of wrang, of allebei, afhankelijk van hoe je ernaar kijkt.

Ik benadruk graag het zoete van de vruchten. De wereld moest en moet veranderen, de verhouding tussen mannen en vrouwen moest veranderen, en nu is het aan jongens en mannen om te veranderen. Waar gesproken wordt over de crisis van mannelijkheid zie ik vooral de kansen van emancipatie. Tja, mannen verliezen ook wat met de teloorgang van hun kostwinnerschap en het afschaffen van de dienstplicht, maar de winst is enorm!

Niet meer jezelf je hele leven kapot werken voor een gezin dat je niet of nauwelijks ziet, niet meer tekortschieten als vader, niet meer eenzijdig naar zelfverwerkelijking zoeken in materie en status maar ook in relaties en verbinding, persoonlijke groei als drijvende factor in plaats van professionele groei, meer geluk en gezondheid, minder negativiteit en eenzaamheid, minder ‘keeping up appearances‘ en meer jezelf mogen zijn – authenticiteit zoals dat tegenwoordig heet.

Begeleiding

Ik vind het belangrijk om serieus kritische vragen te stellen bij de manier waarop het bestaan van specifieke begeleidingsvragen automatisch moet leiden tot het creëren van specifieke groepen. Misschien kunnen de diverse leerlingen wel heel veel leren van elkaars begeleidingsbehoeften. Dat er jongens zijn voor wie stilzitten moeilijker is dan voor anderen kan betekenen dat we voor deze jongens een apart aanbod moeten ontwikkelen, maar het kan ook betekenen dat we het gehele programma onder de loep nemen en kijken of beweging daarin meer plaats kan krijgen, of het nu is in meer bewegingslessen naast het reguliere programma of dat beweging meer geïntegreerd wordt in de reguliere lessen.

Anders gezegd: de huidige tendens om beweging, experimenteren, grensoverschrijden etc. als ‘jongensachtige leerstijl’ te benoemen en daarvoor zelfs een speciale school op te richten schiet in mijn ogen zijn doel enorm voorbij. Ja, het is belangrijk om te kijken hoe we het bestaande onderwijs kunnen verbeteren en diversificeren in werkwijze, programma en aanbod. Nee, we moeten daarin niet de verschillen tussen jongens en meisjes versterken. We moeten inzien dat tenminste een deel van de problemen waar we tegenaan lopen voortkomt uit de manier waarop we jongens tot man en meisjes tot vrouw maken. De boodschappen die we hen geven zien we terug in hun gedrag, in de problemen die ze hebben en de problemen die ze veroorzaken.

Statistiek

We leren denken in roze en blauw, in Mars tegen Venus, in de oorlog tussen de seksen. We leren welke wc we moeten kiezen, in welke kledingafdeling of speelgoedafdeling we moeten zijn. Het eerste wat er gevraagd wordt als je een kind krijgt (of weet dat je een kind gaat krijgen) is ‘wat is het?. Daarmee wordt niet bedoeld of het later het huishouden gaat doen of carrière maken, of het profvoetballer wordt of de PABO gaat doen, maar dat waarnaar gevraagd wordt heeft vervolgens wel enorme invloed op de uitkomsten later in het leven van het kind. Ik durf zelfs te stellen dat het feit dat het gevraagd wordt al bijdraagt aan het hokje waar het kind in gestopt gaat worden..

De onderzoeken die zo ongeveer wekelijks worden gepresenteerd over verschillen tussen mannen en vrouwen op bijvoorbeeld sociaal-psychologisch vlak, over verschillen ten aanzien van bijvoorbeeld inparkeren, zorgzaamheid, wiskundige vermogens, empathie, etc. – deze onderzoeken hebben altijd ergens een alinea die zegt, als ware het een disclaimer: let op, we hebben het wel over verschillen tussen mannen en vrouwen, maar de overlap tussen de groepen is groter dan het verschil, en bovendien zijn de onderlinge verschillen binnen de groepen groter dan die tussen de groepen. En dat wordt maar al te vaak en te graag vergeten…

Een veel aangehaald artikel over hersenverschillen tussen mannen en vrouwen dat laat zien dat er statistische verschillen zijn tussen de manier waarop mannen en vrouwen ruimtelijke wiskundige vraagstukken oplossen, meldt al op de tweede pagina het volgende:

“It is important to keep in mind that some of the average sex differences in cognition vary from slight to quite large and that men and women overlap enormously on many cognitive tests that show average differences. For example, whereas women perform better than men in both verbal memory (recalling words from lists or paragraphs) and verbal fluency (finding words that begin with a specific letter), there was a large difference in memory ability but only a small disparity for the fluency tasks. On the whole, variation between men and women tends to be smaller than deviations within each sex, but very large differences between the groups do exist—in men’s high level of visual-spatial targeting ability, for one.”

Als visuele ondersteuning en samenvatting van de onderzoeksgegevens staat meteen naast deze tekst de volgende infographic:

image003

De nuance is ver te zoeken, er wordt zelfs gebruik gemaakt van varianten roze en blauw om de herkenning en imprinting van de genderboodschap te versterken. Waar is nu de overlap? Waar zijn de verschillen tussen mannen en vrouwen onderling? Deze manier van presenteren van onderzoeksresultaten is in effect uiteindelijk niet alleen descriptief maar ook normatief, je kunt zelfs zeggen onto-formatief: het creëert mede de gegenderde wereld waarin we leven. Hiervandaan is het nog maar een kleine stap naar deze poster, uit de realiteit van het Nederlandse onderwijsveld:

image004

Hier wordt verschil niet zozeer beschreven als wel gemaakt!

Als we de resultaten van dit soort onderzoeken in een grafiek gepresenteerd krijgen ziet deze er meestal ongeveer zo uit:

image005

Een dubbele curve van een normale verdeling, een voor mannen en een voor vrouwen. Bijvoorbeeld over sekseverschillen in wiskunde, of mantelzorg, of met de auto parkeren, of empathie. Meestal tekenen de onderzoekers dan een verticale zwarte lijn op het hoogste punt van de curve die de gemiddelde scores voor mannen en vrouwen aangeeft, en verklaren dat het verschil tussen de twee verticale lijnen het verschil is tussen mannen en vrouwen.

image006

Echter, de enorme overlap wordt vaak over het hoofd gezien. Zoals we hier in paars kunt zien zijn de meeste mannen en vrouwen net zo goed in het parkeren van een auto, in zorgverlening, in wiskunde en in empathie. Er zijn zelfs veel vrouwen beter in wiskunde en in de auto parkeren dan veel mannen, en veel mannen zijn meer empathisch en beter zorgverlening dan veel vrouwen.

image007

De enige zichtbare verschillen tussen mannen en vrouwen zie je aan de uiteinden van de afbeelding. Dit zijn alle mensen die beter zijn in wiskunde en op een parkeerplaats dan alle andere mensen, en dan alle vrouwen. En dit zijn alle vrouwen die meer empathisch en betere zorgverleners zijn dan alle andere vrouwen, en dan alle mensen. Het is duidelijk dat deze groepen nog kleiner zou zijn als we jongens niet leren echte mannen te zijn en meisjes niet leren om echte vrouwen te zijn. Als we jongens en meisjes vrij laten hun gehele menselijke potentieel te ontwikkelen, zal de overlap naar verwachting nog groter zijn.

image008

Mannelijkheid en vrouwelijkheid zijn geen natuurlijke tegenpolen maar zijn slechts categorieën die we gebruiken om de menselijke kwaliteiten – die ‘van nature’ in ons zitten – te benoemen. Geslacht is dus geen tweedeling, maar een doorlopend geheel/continuüm. Er is geen absoluut verschil. Er zijn gemiddelde verschillen. Er zijn graduele verschillen. Die zeggen niets over individuele mannen en vrouwen.

Nadat ik deze beelden al in tientallen presentaties had gebruikt werd ik gewezen op een TED talk waarin duidelijk werd gemaakt dat deze grafieken het reëel bestaande verschil nog heel geflatteerd weergeven. In werkelijkheid is de overlap nog veel groter en zijn de verschillen statistisch weliswaar significant maar valt ernstig te betwijfelen wat dat betekent voor de geleefde werkelijkheid van jongens/mannen en meisjes/vrouwen.

Wel is het natuurlijk zo dat de nadruk die door al dit soort onderzoeken op het verschil wordt gelegd, zelf bijdraagt aan het vergroten van het verschil – doordat jongens en meisjes verschillend benaderd worden, in verschillende dingen gestimuleerd en afgeremd worden, etcetera.

Zelfs als de evolutionaire biologie, de hormonen en de hersenen zulke wezenlijke bijdragen hebben geleverd aan de verschillen tussen mannen en vrouwen, zelfs als we dat helemaal voor gesneden koek aannemen, dan roept dat des te meer de vraag op waarom de feitelijk gevonden verschillen dan zo relatief klein zijn. Blijkbaar doen de biologische verschillen er minder toe dan men ons soms wel wil doen geloven. Blijkbaar is het mogelijk om heel verschillende lichamen te hebben en toch op de meeste menselijke eigenschappen meer overlap dan verschil te hebben.

We kunnen als samenleving kiezen wat we willen, en dat doen we ook voortdurend. Niet kiezen is ook kiezen. We zouden er goed aan doen om als samenleving te kiezen voor meer bewustzijn over onszelf en onze kinderen. We kunnen als samenleving kiezen wat voor samenleving we willen zijn, wat voor mensen we willen zijn. We kunnen als samenleving kiezen om jongens nu ook hun zogenaamd vrouwelijke kanten te laten ontwikkelen, zodat ze samen met meisjes steeds meer mens kunnen worden. We kunnen en moeten er als samenleving voor kiezen hen dit te gunnen – en onszelf. We hebben al die menselijke talenten keihard nodig voor het complexe leven in de 21e eeuw.

Jongens kunnen kiezen, steeds meer, wie ze willen zijn en worden, of liever nog, hoe ze steeds meer zichzelf kunnen zijn en worden. Met of zonder prestatiepijn. Zoals meisjes daar al zo lang mee bezig zijn.

(Deze bijdrage is van Jens van Tricht. Studeerde vrouwenstudies en specialiseerde zich op mannen, mannelijkheid en de uitdagingen van het feminisme. Inmiddels werkt hij als trainer, spreker en inspirator nationaal en internationaal rond dit thema. Zo ontwikkelde hij een methodiek rond positieve beeldvorming rond mannelijkheid,  ‘toffe jongens’, die inmiddels wordt doorontwikkeld tot het meer omvattende ‘trotse zonen, trotse vaders’.  http://www.jensvantricht.nl/). Jens is tevens oprichter en directeur van Emancipator, de Nederlandse organisatie voor mannen en emancipatie.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *